LJMV

Lies Jo Vandenhende

27

Hij is altijd de klap, de klik,
de sluitertijd: afdrukken tussen het zichtbare en wat er valt te vereeuwigen in donkere kamers, het krioelen van lieveheersbeestjes onder lakens, hun stippen tellen,
ze sproeten noemen.

Schuilen is een vorm van maken, morsen. Van alle vlekken krijgen alleen de sterren namen, niet de kringen op tafel na overgoten glazen, vuile monden met volle lippen waar rood in droge velletjes dringt, schrobben van tanden en tongen, de nasmaak van een nacht zonder, een kamp op zolder, elkaar strikken, daar
na de lus de knoop worden.

Vallen is een vorm van maken, torsen. Van alle vlekken krijgen alleen de sterren namen, de rode ogen de witte spoken de oeps verdomme, bewogen. Hij is altijd de sluitertijd, de morser, de torser, de afwezige de olifant in de kamer en de man met de hamer

Ik zie hem steeds vaker met dode ogen schaterlachen, en ik plooi mijn lijf in drie: lende, knie – in de hoop dat dat de klap opvangt.

Advertenties

Blauw licht

Door de ramen van de tram zie je niet langer hoe het donker wordt. Er kleeft reclame op. Om het licht te houden. Een firmawagen met plaats voor vijf met slechts één inzittende houdt halt op de stoep, parkeert zich daar. De chauffeur bezoekt binnen een moeder. Een andere moeder zit in een fauteuil bij het raam. Ze zwaait naar mij. In mijn hoofd heet ze Rosa.

Door een raam kijken heeft iets van escapisme. Bij iemand anders binnenkijken zorgt ervoor dat je even niet bij jezelf moet binnenkijken. Bij het rusthuis om de hoek is mijn blik altijd welkom. Vaak slaapt een man met open mond in de stoel naast Rosa, zo ook vandaag. Ik kijk naar binnen, naar haar. Naar hoe de tijd haar niet langer de baas is. Hoe die alleen nog het einde mag bepalen, niet langer het tempo.

Ik verzamel krantenknipsels die bewijzen dat de wereld groter is dan mijn raam,
dan mijn Samsung Galaxy S8 met afgerond scherm. We zitten gevangen in algoritmes.
Slaapt u nog? In elke droom zie ik blauw licht aan het einde van de tunnel.

Aan halte Astrid beweegt de wereld. Politie met een fiets op de roltrap, een jonge vrouw op een toestel dat niet smart is maar wel een phone. Wel kleur, wel meer dan 9 karakters op het scherm. Ze stuurt een bericht, dat ze later zal zijn. We dragen dezelfde kleur sjaal. Hij stuurt niet terug.

De vrouw heeft een rugzak om. Met een rugzak om voel ik me een kind van twaalf in een enorm meisjeslichaam. Meer dan de helft van de mensen moet omhoog kijken om me aan te kijken. Een deel daarvan doet die moeite niet.

Meester Martens van het vierde leerjaar vertelde tijdens de lessen meetkunde altijd dat één meter tachtig de gemiddelde lengte is voor een man. Hij was één meter 80. Ik ben dat ook, nu. Het was niet mijn ambitie om gemiddeld te worden. Hij zette me thuis af omdat het op zijn weg was en omdat mama langer werkte dan de naschoolse opvang duurde. Hij reed met een rode Alfa Romeo en ik keek alleen maar door het raam, zei nooit wat. Alleen dankuwel en tot morgen. Toen had ik ook een rugzak.

Aan halte Astrid beweegt de wereld.
Ik doe mijn best om rechtop te lopen. Verbergen is een vorm van oprollen. Het was niet mijn ambitie om gemiddeld te worden. Er is een vrouw die haar raampje laat vallen. Omstanders houden hun adem in tot de opluchting van haar gezicht te lezen valt. Het scherm is niet gebarsten. Haar wereld niet gebroken.

Ik verzamel krantenknipsels die bewijzen dat de wereld groter is dan mijn raam,
dan mijn Samsung Galaxy S8 met afgerond scherm. We zitten gevangen in algoritmes.
Slaapt u nog? In elke droom zie ik blauw licht aan het einde van de tunnel.

Door de ramen van de tram zie je niet langer hoe het donker wordt. Er kleeft reclame op. Om het licht te houden. Een firmawagen houdt halt op de stoep, parkeert zich daar. De chauffeur bezoekt binnen een moeder. De andere moeder zit in een fauteuil bij het raam. Ze zwaait ook vandaag weer naar mij. In mijn hoofd heet ze Rosa.

Ik kijk daar naar binnen zodat ik even niet bij mezelf moet binnenkijken. Ik kijk naar haar, naar hoe de tijd haar niet langer de baas is. Vaak slaapt een man met open mond in de stoel naast Rosa, vandaag niet. Ze stuurde een bericht, dat ze later zou zijn. We dragen dezelfde kleur sjaal. Ik verzamel krantenknipsels die bewijzen dat de wereld groter is dan mijn raam.

Nul notificaties

Ik word binnen zes maanden en vier dagen dertig jaar en heb geen idee hoe ik me daarbij voel. Of ik überhaupt iets voel.

Het is zondag, late namiddag. De winterzon hangt lager dan Johnny’s die hun chauffeursstoel op ‘extra stoer’ instellen. Ik heb het nieuwe appartement nooit zonovergoten gezien. De ramen van het huis aan de overkant, elk raam een gordijn uit andere stof en allen ofwel te groot ofwel te klein, weerkaatsen het licht waar we het die dag mee moeten doen. Planten blij.

Zit op de bank na het uitlepelen van een pot Ben & Jerry’s smaak ‘Sofa So N’ice’ met caramel, chocolate brownies, chocolate cookies en meer caramel. Zuinig trots op het feit dat ik de inhoud verspreidde over twee avonden en een namiddag en niet tot comateuze toestand toe in één keer naar binnen kegelde.

Ooit kocht ik met twee vrienden alle smaken die er toen te vinden waren en speelden we ijsproeverij tot zowat al onze organen protesteerden. Ik ben er van overtuigd dat die overdosis suiker me voorgoed veranderd heeft. Voor mij ging ‘O.D.’ van Kendrick daar over. Overly Dedicated als het aankomt op alles dat bestaat uit vrachtwagenladingen suiker en bewaarmiddelen. Yay.

Een goede vriendin en huisgenoot die nu mijn huisgenoot niet meer is omdat ik haar inruilde voor een mannelijk exemplaar waar ik ook nog eens verliefd op ben, kwam vandaag op bezoek en is net weg. Hence de krijmgelas. Niet meteen nog sleepovers en meisjesdingen in het verschiet dus mijn Peter Pan ambities vasthouden met dessert nog voor het avondeten.

Ik word dit jaar dertig en ik heb het gevoel dat ik hier nog maar een jaar of zeven écht ben. Bewust ben van mijn identiteit en mijn lichaam en van die dingen. Al jaren op zoek naar een soort van evenwicht in deze modderpoel der volwassen leven. Bij het woord modderpoel moet ik altijd aan Shrek denken. Aan het stuk waarin Shrek uitlegt dat ogers zoals ajuinen zijn, omdat ze lagen hebben. Let me tell you: ajuin zijn is vermoeiend.

Afgelopen jaar liep ik een tijd rond met een ontstoken pees in mijn rechterhand. Letsel der overmatig scrollen. I kid you not. Ik was ontevreden, onrustig, dwangmatig alles aan het vastleggen, niet in staat om me te concentreren, vergeleek mezelf continue met anderen en miste authenticiteit. Ik stoorde me tijdens sociale aangelegenheden zo mogelijk nog harder aan mijn vrienden hun smartphone-gedrag dan aan het mijne. Zelf ben ik niet het type dat kan matigen met dingen. Ik moet alles ‘vollembak’ doen, of helemaal niet. Extreem is my middle name.

Sinds begin deze maand ruilde ik voor onbepaalde tijd mijn smartphone in voor een exemplaar telefoon met twaalf toetsen. Drie keer drukken voor een letter, hard labeur. Ook nog 49 euro voor betaald. Kinderen van twaalf lachen me uit of vragen zich af waarom ik rondloop met een rekentoestel. Na slechts drie weken zonder touchscreen spiegeltje ben ik deels vergeten wie ik was en waarin ik me zoal opboeide. Heb geen ding meer vast dat me oplegt wie ik hoor te zijn, maar dat zelf invullen is griezeliger dan ik verwachtte.

Het leven zonder is zò rustig dat ik het niet helemaal vertrouw. Heb het gevoel dat ik de tijd en de mentale energie heb om mezelf opnieuw uit te vinden. Zonder dat iemand het ziet, welteverstaan. Omdat niemand het ziet, vooral.
Wat valt er te delen, en met wie?

De illusie constant verbonden te zijn valt weg. Er valt zoveel weg dat ik nu echt verbinding moet aangaan. Echte gesprekken voeren die echte tijd innemen, echt dingen doen bewegen.
Wat blijft er over nu ik kies voor een minder bereikbaar leven?

Nul notificaties en niemand die vandaag mijn gezicht heeft geliket. Ik zoog altijd mijn wangen naar binnen en beet er dan zachtjes op zodat mijn trekken fijner werden. Neus fijner, jukbeenderen geprononceerder. Ha. Vandaag knik ik ‘ca va’ naar de spiegel in de badkamer en schrik ik hoe makkelijk ik daar genoegen mee neem.

Nu ik niet meer hyperbereikbaar ben voel ik me door veel mensen vergeten. Weet niet hoe erg ik dat vind. Ik word dit jaar dertig en ik weet niet meer of mijn vrienden mijn vrienden zijn of toevallig mensen waar ik ooit iets mee gemeen had. Hoe random manifesteert vriendschap zich en hoeveel moeite doe je om die willekeur in stand te houden eens het allemaal niet meer zo naturel loopt?
We moeten nog eens afspreken hè. Ja, druk druk druk.

Mezelf al tijden voorgenomen meer tijd door te brengen met mensen waar ik effectief raakvlakken mee heb. Mee kan praten over wat me dwars zit en over wat mijn vuur aanwakkert. Alleen uiterst vervelend om allemaal fijne mensen te kennen die op eilandjes leven en geen ene jota met elkaar te maken hebben. Waardoor gekke avonden met een groep vrienden compleet uitgesloten worden. Ben ik de enige die van dinnerdate naar koffiedate naar lunchdate naar goed gesprek dobbert met individuen die ik graag heb en oh zo graag zou verenigen? Ugh.

Toen ik vijfentwintig werd schreef ik op mijn toen kersverse blog een tekstje als dikke middelvinger naar heel het systeem. Dat ik terug ging studeren, verdomme. Dat ik vrij wou zijn, terug thuis ging wonen, geen geld nodig had om gelukkig te zijn. Dat ik op zoek ging naar wat het was dat hier vanbinnen zo jeukte.

Netjes getimede quarterlife crisis, me dunkt. Eentje die broodnodig was. Ik weet intussen wat er zo jeukte en het jeukt nog steeds. Maar ik heb nagels gegroeid om te krabben.

Twijfel nog steeds of ik gewoon ga leren leven met de kwabbetjes op mijn rug terwijl ik vier keer per week ga sporten, of ik de slankste versie van mezelf ben tegen mijn dertigste. Twijfel nog steeds of ik een solo reis boek en tram drie daar vier (haha, telwoordmopjes) of een groot feest geef.

De hardste les in deze drie eerste decennia, was het besef van de inherente, onvermijdelijke eenzaamheid waar je als mens hoe dan ook mee geconfronteerd wordt. Niemand is jou, alleen jij bent jou. Hoeveel mensen je rond je verzamelt, hoeveel interactie je ook hebt – in de kern van ons bestaan huist een eenzaamheid waar ik hopelijk de volgende drie decennia nog aan kan wennen.

Niets is geheel waar en zelfs dat niet (Frederik Van Eeden)
en verandering is de enige constante (Heraclitus)
maar dat is dan weer niet geheel waar.

Interieurarchitectuur

Met vage herinneringen aan Franse chanson en dit stokbrood, doen alsof ik in Parijs op een tram zit. Niet ergens in een stad waar constant wegen middendoor. Alsof er een stippellijn op getekend staat.
Knip hier’
en dan de puzzel leggen.

Met de tram reizen is een voorrecht. Eender wat doen terwijl je stil staat, en niemand die boetes uitdeelt, tenzij je voeten op de zitjes rusten. Een voorrecht. Met oortjes in best draagbaar ook.
Muziek heelt wonden
en krabt aan hun korstjes.

De rit confronteert me, met alles dat ik niet wou worden toen ik klein was.
Norse snorremans, tramchauffeur extraordinaire, automatische deur.
Met al het moois dat ik nooit zal zijn.
Aziatische schone, naaldhakkoningin, boekentas met kind,
kokette pareldame, moeder van vier, Golden retriever.

Vorige week zat ik op een terras naast een jongen met heel goed haar. We zaten in een bocht waar om de twaalf minuten een tram voorbij raast. Hij wees me er op hoe verloren passagiers lijken, en elk volgend voertuig gevuld met bestemmingsloze blikken bevestigde zijn stelling.

Verzonken in gedachten op de tram vergeet ik het ook wel eens, waarheen. Maar misschien mag ik vergeten. Misschien is op een terrasje zitten de haag snoeien, zodat de buren goed praten. En op de tram zitten binnenwerk,
interieurarchitectuur
korstjes groeien.

De melkweg (Cadavre exquis)

Schermafbeelding 2017-08-06 om 22.59.24

– Een blinde samenwerking met Yannick Bux en een fles Merlot

Het bouwen van een eigen wereld in
je hoofd, als het tollen gaat in hersenspinsels
De afvoerpijp vol van je haren en jij
van jezelf ben je nooit, al kan je je vrijkopen
Gratis bij aankoop van huisje boompje
beestje onderhuids waar de leegte kruipt
Voldaan als de maan, elke cyclus
sterrenstof door de neus, van getreuzel geen sprake
Zwijgen is glitter, spreken
triest, als de dag geen schoonheid kent
De revolutie buigt zich, kruipt door
spleten in het canvas geven een werk karakter
Moodswings als tegenpolen, noord
zuid, waar drinken klinkt als het noorden kwijt zijn
Thuis, er is nooit genoeg plaats

Alles is fictie

Volgorde van gebeurtenissen:
Koffie. Ik kies de verkeerde.
Passeer Victoria haar huis. Victoria is een vriendin die begrijpt wat ik doe en me inspireert. Toch blijf ik te vaak bij haar weg. Het licht brandt. Ik wil aanbellen. Dag zeggen. Haar verwijten dat ze vorige keer afzegde. Besluit het niet te doen. Wandel door.

Zoek een plek om iets te eten. Bestel Massaman curry op een leeg terras. Het is vier uur in de namiddag. Het plein bevindt zich in een post-apocalyptische staat. Het blijkt stilte voor de storm.

Wanneer ik genoeg heb zie ik een parisienne richting het terras lopen. Ze heeft een lila sjaaltje om en is verder volledig in het zwart gekleed. Op het moment dat ik haar herken prutst ze aan het bandje van haar witte slingback pumps. Victoria.
Ze zwaait en neemt haar oortjes uit. Ze staat eerst vijf minuten recht, daarna gaat ze zitten. We wisselen van terras. Praten over het leven. Ik weet weer wie ik ben.

Ik trek naar het MUHKA. Betaal. Het is daar mooi geworden. Er is een bibliotheek bij de balie nu. Ik lees een boek aan een ellenlange tafel gemaakt uit een evenlange doorsnede van een boom. Het is padoek. Een koraalrode houtsoort die bij blootstelling aan het licht donkerbruin wordt. Padoek is een zeer stabiele houtsoort die niet werkt en nauwelijks vervormt. Beetje zoals sommige mensen.

Ik hoor een Franstalige dame in sappig Nederlands stressen aan de balie. Ze is haar portefeuille vergeten en rammelt onophoudelijk in haar te grote te dure werktas. “Op donderdagavond is de toegang maar één euro mevrouw…” – “Ik weet het, maar … ik ben ze echt gewoon vergeten.” Ze rammelt verder. “Mag ik betalen voor mevrouw?”, hoor ik mijn eigen stem plots zeggen. De dame achter de balie kijkt alsof ze me herkent en giechelt meisjesachtig. De vrouw kijkt verbaast, bedankt me vier keer. Ik ga opnieuw zitten aan de tafel die niet werkt.

Na wat vijf minuten lijkt komt de handtas met vrouw opnieuw op me af. Nog eens bedankt. En dat dit voor mij is, zegt ze terwijl ze een kaartje in mijn handen duwt. Ze legt uit wie ze is. Marie Pok, directeur van le Grand-Hornu in Henegouwen. Le Grand-Hornu is een historisch industrieel mijnbouwcomplex dat tegenwoordig dienst doet als museum en centrum voor innovatie en design. Ze wil dat ik de site bezoek zodat ze mij en mijn vrienden gratis toegang kan verschaffen. Als wederdienst.

Ik bedank haar. Staar nog een halve minuut naar haar kaartje. Ooit is me verteld dat mensen in musea gemiddeld niet langer dan 17 seconden naar een object kijken.

Ik loop rond, wacht op de gids die een wandelgesprek start om 19.30. Het is 19.30. Ik ben alleen.
We wandelen door het museum, met twee. De gids heet Will. Hij praat een uur lang over ‘Het tijdelijk toekomstinstituut’ dat zich op de tweede verdieping bevindt. De tentoonstelling bestaat uit werk van 4 futuristen en 9 kunstenaars, en onderzoekt vier toekomstmogelijkheden: voortgezette groei, instorting, discipline, transformatie. Het lijkt wat op een date met een oudere man die ontzettend veel weet. Ik speel spons, geniet.

Het museum sluit, ik neem afscheid van Will. Loop de Kloosterstraat door en beland met een wijntje ergens in de Hoogstraat. Het charisma van een man met horecazaak wordt bepaald door de terrasstoelen die hij kiest. Rode, oranje en gifgroene stoelen uit kunststof. Ik vraag mij af wat iemand bezielt en ga niet op dat terras zitten.

Ik ontmoet drie vriendinnetjes van een jaar of 8 die in de straat spelen alsof het een autoluwe woonwijk is. Meisjesknuffels en radslagen en de één zegt tegen de ander dat ze het beter kan. Ik ontmoet twee Noorse jongens die me vragen hoe ze het best naar ‘het festival’ kunnen. Ik vraag welk festival en ze kijken me aan alsof ik compleet gestoord ben. Vragen me dan wat ze maandag in de stad nog zeker moeten zien. Ik kan enkel op het museum komen. Ik wil vertellen over ‘Het tijdelijk toekomstinstituut’. Besef dat musea op maandag gesloten zijn. Bedenk dat ze op Tomorrowland al wel een staaltje toekomst voorgeschoteld krijgen.

Ga daarna bij Cartoons naar ‘Visages Villages’ van Agnès Varda en JR kijken. Een cineast en een fotograaf met een enorm leeftijdsverschil die door Frankrijk reizen om met mensen te praten, hen te fotograferen en in reusachtig formaat op gebouwen te plakken. Het was zo schoon.

Heb geen telefoon meer, dit was de meest volle dag sinds een voorstelling van de wereld in onze handpalm past.

Marktonderzoek

Processed with VSCO with hb2 preset

Ik dwing mezelf te kijken tot het went. Het is zaterdag. Ik sta in een supermarkt, op stormloopdag. Wat mensen mee naar huis tjokken blijft me verbazen, maar het kan me weinig schelen. Eén ding staat vast: als ze komen gaan ze ook weer weg. Iedereen die hier binnenwandelt stapt dezelfde dag weer buiten. De meesten doen dat hetzelfde uur nog. Dat maakt het eenvoudiger voor mij.

Wat beweegt zo snel dat je het niet kan zien? De sensor van de automatische schuifdeur levert zwaar werk. Hoe meer bezoekers, hoe vaker de deur opent. Hoe meer bezoekers, hoe vaker de deur sluit.

Vandaag blijft een meisje van een jaar of vijf nieuwsgierig staan vlak voor ze in het verlengde van moeders’ ganzenpas de winkel verlaat. Met veel trots draagt ze twee blonde dotjes, die als zomerse bollen vanille-ijs bijna van haar hoofd afglijden. Heel even heb ik het idee dat ze begrijpt wat ik daar sta te doen. Ze kijkt van de deur naar mij. Weer naar de deur. Het led-lampje boven de ingang licht rood op.

Er zit een nauwelijks merkbare vertraging op de sensor die de informatie naar het mechanisme van de deur moet doorsturen. Iemand in volle pas moet daarom altijd even inhouden vlak voor het buitengaan. Dat gebeurt zo’n 833 keer per dag. Het verveelt nooit. Wat beweegt zo traag dat je het niet kan zien? Dat specifieke moment dat klanten gedwongen hun pas moet inhouden is net lang genoeg om hen in mij op te nemen.

Ik onderzoek hoe mensen weggaan. Hoe mensen weggaan in hun dagelijkse activiteiten. Van hun dagelijkse activiteiten. Naar andere dagelijkse activiteiten. Ik onderzoek wie treuzelt voor hij gaat. Wie nadenkt bij het weggaan. Wie zich bijna bedenkt. Waarom. Ik onderzoek wie bijna tegen de glazen deur botst terwijl hij nog even de perkamentrol-lange rekening nakijkt, alsof iemand anders al die spullen in de kar. Ik kijk toe hoe hun achterhoofden bollen. Hoe hun welvaartskuiten opspannen. Hoe hun ruggen hollen, dan weer krommen. Ik onderzoek hoe voeten ploffen. Hoe hun hielen slepen.

We verdelen ons gewicht ongelijk. Zoals we in boodschappentassen vooral de melk onderaan willen zodat de tomaten niet geplet worden maar dan snel alle zware dingen in dezelfde boodschappentas gooien omdat de kassierster de aankopen bijna onmenselijk snel scant en wij niet kunnen volgen. Ik onderzoek hoe de helft van de mensen op de buitenkant van zijn voeten gaat en de andere helft op de binnenkant. Hoe niemand voeten nog gebruikt zoals ze zijn ontworpen. Gaan we nog genoeg en als we gaan waar gaan we heen?

Ik onderzoek hoe mensen weggaan. Als je eenmaal genoeg ruggen en kuiten en achterhoofden hebt gezien, verbaast het je dan nog? Raakt het je dan nog. Wanneer mensen weggaan. Of het went, dat ze weggaan.

Ik houd bij wie nog terugkeert. Wie vergat de eieren? En de melk. Wie vergat de melk? Wie beseft bij het buitengaan dat hij de eieren of de melk vergat maar gaat toch weg. Voor wie is terugkeren erger dan geen eieren of melk in huis hebben? Raakt het je dan nog. Of het je nog raakt. Wanneer ze weggaan. Of het went, dat ze weggaan. Wat beweegt zo snel dat je het niet kan zien? Op welke kant van je voeten ga jij?