LJMV

Lies Jo Vandenhende

Categorie: Stories

Huiswaarts

Ik kijk de sterielwitte zaal rond met in plasticfolie gehulde ogen. Dat moet me ervan weerhouden beelden te bewaren om ze vervolgens te laten rotten op mijn netvlies. We staan, lopen, zitten, praten. Algauw is het niet meer wij, maar zij. Ik ben nog, maar kan me met niemand identificeren. Plots weet ik niet meer waarover mensen gewoonlijk zoal praten. Hoe het is om te voelen. De drukte slokt me hebberig op en laat niets achter behalve dit leeg omhulsel van veel te roze huid. Het neemt te veel plaats in naar mijn zin. Vaak wil ik met niemand anders zijn dan mezelf omdat ik de ruimte zelf al voldoende vul. Vaker wel dan niet. Ik vertrek.

Huiswaarts. Deze jeans vermorzeld m’n blaas zowat. Geprogrammeerd om zo snel mogelijk thuis te raken schud ik de plasdrang van me af en ga door. Overal lichtjes. M’n voeten wegen nog zwaarder dan m’n hoofd, en het is alsof ik vergeten ben hoe ik juist de ene voor de andere moet plaatsen om echt ergens te komen. Hoe ik het ene voor het andere moet plaatsen om ergens te komen.

Een terrasstoel duikt op uit het niets. Zo eentje die ribbels achterlaat in de achterkant van je blote benen. Synchroon met het gevloek om die blauwe teen herken ik een ober van toen hij nog geen baard had. Zijn blik kruist de mijne. Hij kijkt met hetzelfde begrip als toen. Steak altijd à point. Jaren geleden zaten we elke vrijdagavond in een overroepen restaurant de poëzie van het dagelijks leven te bespreken. De stoelen oncomfortabel maar de reputatie goed.

Wanneer ik aan ons denk probeer ik me steeds voor de geest te halen waarover we het hadden. En of ik gelukkig was. Ik kan me niet meer herinneren welk beleg je het liefst at maar wel dat je steeds hetzelfde koos. Alles ontglipt me. De jaren slijten de herinneringen als dat ene paar schoenen waar ik geen afscheid van kan nemen. De zolen doortrapt, de veters dubbel geknoopt. Heel mijn volwassen leven is één waas van Geweest, Voorbij en Ontgroeid.

Ik trek me los uit die aaneenschakeling van oude beelden en steek het plein over. Ik houd halt bij de plek waar het besluit viel dat ik Niet Meer Wou. Jij vertrappeld, ik op de trappen van het museum. Dat ging heel plots. Twee vriendinnen als sandwich van troost met mij ertussen. Dat het niet boterde. We deelden Chinees en twee flessen rosé. Ik bracht de bekers. Toen ik op zoek ging naar een onvindbare derde fles gooide ik het er uit. Dat van die boter. De zon ging onder achter de dakterassen waar je zo vaak en zo bitter over droomde.

Het is die ene avond in de maand waar de maan groter en feller is dan gewoonlijk. Net zoals mijn herinneren doet ook zij niets meer dan reflecteren. Zonder zelf echt licht te geven. Ik passeer ons oud huis. De vloeren kraakten daar zo mooi dat het me bijna de angst van het ouder worden ontnam. Plots zag ik schoonheid in verval. Nergens heb ik me meer thuis gevoeld. Al had dat weinig met jou te maken. Mijn tegenwoordig permanente wallen staren me aan in de weerspiegeling van het raam. Het staat opnieuw te huur. De foto’s vertellen me dat er tegenwoordig niets meer kraakt. De vloeren betegeld en de keuken nagelnieuw. Er blijft werkelijk, niets meer over van wat ooit alles was.

Leunend tegen een verkeersbord merk ik op dat het raam van het gebouw ernaast open staat. Een koppel doet de afwas. Zij in een donkergroene top, hij tot aan zijn ellebogen in het sop. Ik heb er maar het raden naar waarover ze het hebben. Ik gok op zijn kutbaan, en dat de eieren op zijn. De maan is groter dan ze ooit was en ik kan m’n plas bijna niet meer ophouden. Op automatische dronken piloot zet mijn pas zich voort, de straat uit. De laatste tram huiswaarts komt te vroeg, en racet me voorbij terwijl ik aan het rood licht sta te wachten. Al dat getreuzel helpt me niet thuis. 

Al dat getreuzel helpt me niet thuis.

Advertenties

Ondergronds

image
Close your eyes
Give me your hand
darling, do you feel
my heart beating?
Do you understand?

Zestien jaar en twee maanden ben ik wanneer ik het merk. Wanneer ik voor het eerst merk hoe klef de muziek is die door de luidsprekers van de metro tegen de tegels slaat. Tegels die nooit proper lijken hoe vaak ze ook gepoetst worden door brompotten gewapend met industriële boenmachines en vloeistoffen die kinderen niet mogen inslikken.

Mijn lievelingsbloes, een zwarte, hangt over mijn schouders als hing ze aan de wasdraad. Mijn schouders als twee wasknijpers met verroeste vering. Iets snijdt doorheen mijn hoofd en ik twijfel of het aan de tram ligt die er aan komt. Ik heb last van een gebroken hart en ik voel het tot in mijn hoofd. Alsof iemand met zijn nagels langs mijn hersenvlies krast.

Als kind word je overspoeld door waarschuwingen maar nooit is er iemand die de moeite neemt om je voor de juiste dingen te waarschuwen. Wel op de lijst staan: ‘kleine delen kunnen mogelijk ingeslikt worden’ en ‘buiten bereik van kinderen bewaren’. Waarom bestaan er geen stickers om op het hoofd van volwassenen te kleven? ‘Gedachtengang buiten bereik van kinderen bewaren’, ‘Verstikkingsgevaar’ en ‘Kans op verslikken in goede raad’. Grote mensen zijn giftig.

Soms ben ik als metrotegels onder de straatstenen. Ik heb weinig zeep ingeslikt als kind maar ben toch een schoon mens geworden. Ik hou niet van haasten, hang mijn kleren altijd aan de wasdraad omdat ik hou van de tijd die ze nemen. Ik hou van de tijd die ze nemen om het water druppelgewijs los te laten, zonder zich af te vragen of er misschien iemand ongeduldig wacht tot ze droog zijn. Water loslaten. Eb en vloed. Tranen.

Mijn bloes krijgt slaag van de tocht die de tram aankondigt. Het zal weer een tijd duren voor ze dat beetje water loslaat dat net uit mijn enthousiaste traankraantjes vloeide. Eb en vloed. Eb en vloed gedragen zich als vraag en aanbod. Vraag en aanbod bepalen de prijs, zegt die van economie altijd. Ze heeft meer dan vijf Franse stopwoordjes en ik en Sharon turven vaak welk woord ze die les het meest gebruikt. Tant pis. Frans hebben we pas het derde uur.

Verder lig ik in de les steeds te slapen, maar vraag en aanbod bepalen de prijs. Dat zegt die van economie altijd. Wie betaalt er voor de tranen die m’n bloes niet kan vangen? Waterverspilling op micro-schaal. Ik poets nog steeds mijn tanden met de kraan open.

Do you feel my heart beating
Do you understand
Do you feeeeel the same
Or am I only dreeaa-

Vermoedelijk wordt de metro playlist samengesteld door verveelde bewakers die op hun camerabeelden geamuseerd elke dag wel één tienerhart tegen de tegels aan zien kletteren. Grote mensen zijn giftig. Hoeveel kinderen zou ik redden als ik 500 ‘GIFTIG’ stickers laat drukken om volwassenen hun hoofden op te leuken?

Voor mij is het al te laat. Eens de twaalf voorbij hebben ze de helft van je zeeën vol dromen al in de droogkast gestoken. En dan sta je daar met die pruillip voor het raampje van de trommel alsof je in een leeg aquarium de vissen telt.

De ware, de waarheid, de pijnstillers

Zijn de monsters vanonder bed de dagen binnengeslopen? De avond brengt ons haar interpretatie van een zeester op het droge. Vier ledematen languit op bed. Heel luide donder. Soms wel een halve minuut lang. De zon schijnt verlegen en het regent pijpenstelen

Onverstoord. Ze schrikt niet op van het lawaai, is zich niet bewust van het poëtische in de scène. Geen pijn of vreugde, geen gevoel. Vier ledematen languit op bed. De lakens ook. Uitgestrekt. Onverstoorbaar bestaand in hun omgeving. Ze zijn gewoon. Onverschillig over het feit dat ze niets speciaal zijn. De goedkoopste set beddengoed uit de vakken van een Nederlandse keten. Wit. Ze zijn, ongecompliceerd.
Ziekenhuizen, hotels en tumblr. Witte lakens.

Heel luide donder. Soms wel een halve minuut lang. De restjes van haar concealer kleuren het onderlaken met wolkjes huidskleur. Alsof haar wallen ’s nachts wel het daglicht mogen zien. Haar benen knopen de lakens, maar zijn slechts twee tinten donkerder.
Nog steeds donder.

De dag wordt weggespoeld. Opnieuw. Wolken overtrekken de buurt voor zover ze kan kijken, maar achter dat dik gordijn schijnt nog steeds de zon. De hemel vormt met die gele waas een obscuur canvas voor het leger regendruppels dat bijna kwaad naar beneden raast. Het uitzicht woelt mee. De straten blank. Takken hangen als droevig bezit van bomen in geforceerde achtertuinen. Onderhevig aan de regenval. Het raam blijft droog.

“Ik ben er zo, rossekop” – leest haar scherm.
De lakens opschudden? Het zoute zwart van haar wangen vegen? Wat kwam eerst? Snel beslissen. Nog vijf minuten. Misschien zes. De zon had haar al lang tot blondine bekeerd. Wist hij veel. Gerommel op de gang. De liftdeur gedempt. Één diepe buiging van de klink tovert blauwgrijze irissen, vol vraagtekens.
– ‘Waar was je de laatste tijd?’
“Ik was geloof ik op koffie bij mezelf.”
– ‘Vandaar de stiltes?’
“Ik drink mijn koffie zwart.”

Ze staan. Ze staan in stilte. Op welk exact moment adopteer je zijn littekens en noem je ze de jouwe? Twee paar longen met lucht als hun lichamen, samengeperst. Adem ingehouden. Ontsnappingsdrang.
Als je stil genoeg bent…

Bijna onmerkbaar fluiten zijn lippen bij het uitademen.
Oplosbaar. Liefde is als een aspirientje.

“Ik wil weten wie ze is.”
– ‘Gewoon, een meisje.’
“Wie is zij?”
– ‘Waarom vraag je me nooit wie jij bent?’
“Ik weet wie ik ben.”
– ‘Je weet wie je wil zijn.’

Op welk exact moment adopteer je zijn littekens en noem je ze de jouwe? Is het honger of goesting? Nieuwsgierigheid. Of schuilt de verminking in het wantrouwen?
Want, trouw en
Want rouwen
Want trouwens
Liefde is als een aspirientje. Maar wie vermijdt de kater? Hij die zich onwaardig voelt is schuldig aan afwijzing.
Vertrouwen.

– ‘Steek je je hand in het vuur uit stompzinnigheid, of om de gedeelde kaarten te verbranden?’
“Geen van beiden.”
– ‘Uit egoïsme dan.’
“Uit liefde.”
– ‘Die twee zijn één.’
“Rekenwonder.’
– ‘De mens heeft lief uit noodzaak. Om de kloof te dichten tussen wie hij is, en wie hij wil zijn. Onze motieven om te houden van zijn onbetrouwbaar. Zelfzuchtig. Bedrieglijk.’
“Onvoorwaardelijk is meer dan een woord.”
– ‘Het is een sprookje. En het was eens.’
Ze snikte.
“Wonderkind, ik kan niet plotseling liefhebben op een lager pitje omdat ik niet langer de enige ben. Ik kan er wel, kapot aan gaan.”

Heraanleg

Wat was er nu zo dringend?
Ik ga weg.
Weg?
Ja! Weg, zoals ‘zeg’ maar dan zonder zet.
Dat lijkt me geen goede zet.
En toch ga ik weg.
Oh. Amuseer u.
Gaat ge mee?
Met u?
Met mij.
Gij spoort nie. Waarheen?
Gewoon, naar ergens anders.
Wat denkt ge daar te vinden dan?
Gewoon. Waarom al die vragen?
Stelt gij er dan geen?
Ik krijg hier geen antwoorden.
Het gras is niet groener Lies.
Maar wel netjes gemaaid.
Weg is een mythe. Je zal ergens anders ook moeten zijn.
Het zijn valt mij zwaar.
Zoals het was?
En hoe het is.

Bestemd

Bestemd

Het einde van een zoveelste witte nacht bracht me als een klein meisje tot ver buiten mijn eigen stad. Mijn hinderlijk lange benen opgetrokken tegen het treinzitje voor me. Ongelooflijk oncomfortabel. Soms verloor ik minutenlang het gevoel in m’n linkervoet. Ik bedacht me hoe het zou zijn met diezelfde tinteling in een slapend hart. Gevoelloos? Verzacht? Mevrouw voor me apprecieerde mijn schommelkwaliteiten niet zo. Zuur wicht. Ik zakte langzaam weg.

De conducteur zijn stem klonk harmonieus “goeiemorgen” in de mix met Drake. ‘She’s from the – goeiemorgen – jungle’
– Ik verdreef de slaap van tussen m’n wimpers en duwde hem een verfomfaaid treinticket in de handen. Ondoorleefde handen, nergens wondjes. Geen eelt. De handen van iemand die met voorzichtige grip stempels zet en liedjes remixt met zijn ‘goeiemorgen’. Lege zakken. Drie uur werken voor een ticket voor een reis van twee uur, dat met één klikje van een stempel ontwaard wordt. Nog zuurder dan de vrouw in de stoel voor me. We bolden als citroenen verder.

Het raam keek uit op onnoemelijk uitgestrekte velden die stad na stad aan elkaar naaiden. Ik rustte het hoofd op dat kader van stiksels, maar kon de slaap maar moeilijk vatten. Al vier tassen koffie op sinds ik het schoonste goed alleen in mijn bed achterliet. Zou hij die leegte nu al gevoeld hebben? Zou mijn plek al koud zijn? Zou hij geweten hebben dat ik naast de moed ook mezelf bij elkaar moest rapen voor ik kon vertrekken? Dat ik minutenlang naar hem staarde toen ik opmerkte dat hij – net als mij – door dromenland ploetert met één arm bovenop zijn hoofd? Ik besloot de benen te nemen. De trein eigenlijk. Ik wist geen blijf met mezelf. Met mijn benen nu ook niet eigenlijk.

Een halfuur geleden had ik nog vertwijfeld in de vertrekhal gestaan met een emmer koffie. Ik wist niet waarheen. Vogeltjepik op het bord met bestemmingen. Niemand anders waagde een worp. In de wagon hadden mijn medereizigers diezelfde vastberaden blik goed ingestudeerd. Zij wisten waarheen. Ik twijfelde, alleen. Mijn kompas wees naar ‘vermomd als klein meisje verstoppen in de bagageruimte’ – mijn buikgevoel zei ‘hoofd door het raampje wringen en haren laten wapperen in de wind.’
Tien minuten voor aankomst viel ik alsnog in slaap, één arm gedrapeerd over mijn hoofd.

Oversteken

Ik duik in de passagierszetel. Het goud naast me staart uit het raam. Hij zegt: Ik zou iets kunnen schrijven over hem, zijn gezicht vertelt een verhaal. De sleutel raakt vastberaden het contact. Ik kijk beide verhaalvertellers afwisselend aan, en m’n gedachten gaan ijverig met die opmerking aan de haal.

Het liefst zou ik later ook zo’n gezicht hebben. Huid even verhalend als een roman of drie. De hoogtepunten door de lezer onderlijnd. En wanneer het enige dat groen overblijft mijn iris is, dat dan de som van slapeloze nachten rood in het wit van mijn ogen kleurt. Een nog even gouden lok. Een glimlach completer dan voorheen. Die vervloekte lijn in mijn voorhoofd nog dieper. Mijn wangen holler dan ze nu zijn. Krasjes schaduw op mijn slapen. De tel kwijt bij mijn sproeten. Poriën opgevuld met het onderste uit de kan.
Dan zouden er meisjesblikken op me rusten. en zou ik hen liefst zien beseffen hoe mooi het leven kan kerven.

Ik strijk mijn voorlopig gladde oogleden neer op de kwartslag naar links, mijn gedachtestroom onderbroken.
‘Jongedame, die blik…’
– ‘Wat?’, vraag ik.
‘…is het enige wezenlijke dat er in slaagt me in verlegenheid te brengen.”

En moest ik kunnen kiezen, wil ik dat de tijd daar
geen verandering in brengt.

Ongerept

De ochtend delen valt zoveel intiemer als de nacht.
Alles aan die eerste tellen is bijna akelig ongekunsteld. Mijn haar ligt ongehoorzaam, een kussen drukt sporen tegen je slapen. Het daglicht brutaal. Ik ben wakker voor de wekker, omdat ik gordijnen blijf ontkennen
alsof er niets valt of staat met verbergen

Ben ik vandaag deel van je ochtendroutine.
We kijken op tegen andere verplichtingen met dezelfde tegenzin, en de zoveelste voorziene kater. Er is de afwas van gisteren die gadeslaat hoe je uiterst geconcentreerd een naderende lepel cornflakes bestudeert, terwijl ik afkeurend de achterkant van de doos ontleed. Een restje tandpasta rust waar afgelopen nacht een onweerstaanbare glimlach zat. Nog voor de eerste tas koffie laat je de tweede koud worden.

Naast bed liggen schoenen. Maar jij staat nog even
op één been, in een tevergeefse poging om je in sneakers te wringen en voor de tram te spurten, zonder eerst de veters en het einde te ontknopen. Je verliest onomstotelijk voorbereid het evenwicht
alsof je hier al eerder was

Deel van je ochtendroutine
gehaast gehinkel.
Je vloekt meer dan luid. Mijn lippen lezen ‘stil’, en dat de buren nog slapen.
Jij stopt,
me dan een kussen toe.
‘Aan jou de eer ze wakker te maken.’
Gespeeld protest, maar net niet overtuigend genoeg.