LJMV

Lies Jo Vandenhende

Categorie: Poetry

Vatra, tamo

Oost-Europa, ons escapisme
omlijst een berglandschap onder het gestamel
van een ruitenwisser, ik zei je nog
eerst de garage maar we gingen
zo ging het al een tijdje

langs grenzen
waar niemand lijkt te lachen
lijmt een blauwe vrouw op de voorruit
dat we nu haar wegen betreden
dat dat een westers privilege

ik ontwar het dorre land
tussen mijn witte wimpers
opnieuw ontstaat er brand rechts van ons

de koorts overvalt me, tussen ons
woeden geen bosbranden meer
zonde nu ik eindelijk weet
hoe de brandblusser werkt

ik had het nooit zien aankomen
als de weg niet uit glas bestond

een volgend lichterlaaie, de remafstand
plant een vlag waar ik inadem
er is geen restwaarde na een inferno

ik zei je nog
eerst de garage maar we gingen
zo ging het al een tijdje

Advertenties

Mimesis

Ik viel vlak voor ik zei:
Kus me nog een keer
terwijl ik zeg dat ik je haat
dan zijn we nog steeds niets
maar spelen we alvast moeder
en vader van de poëzie
– herhaling, contradictie

Mendeljev

Onze intenties hangen ingekaderd boven bed
in mozaïek met meer spiegels
dan je zou verwachten
in het huis van iemand die geen vaste vorm wil aannemen

Onder invloed van temperatuur en druk
vraag ik me af hoe dicht onze deeltjes op elkaar zitten
wat onze aggregatietoestand is

Vloeibaar passen we in kannen en kruiken
maar gas kruipt waar het gaan kan
Er groeit eelt onder mijn nagels
door ter controle aan de knoppen van het vuur te draaien

Onder de lakens happen we naar adem
Naast jou lig ik
te trillen tot ik weer samenval
Wie kan zo sterk verdund
de stilte bedrijven

ménage à trois

Processed with VSCO with  preset

Ik wist altijd wanneer ze er was.
Ze deed niets om het te verstoppen.
Er waren de restjes gloss op de glazen, de extra voetstappen, de zwaarte.

Vroeger stond ik op je schoenen en wandelde je zo heel de kamer met me rond
om minder sporen na te laten,
onze energie te sparen.
We hadden het over hoe we de dingen zouden bezoeken met mijn ogen en jouw voeten.

Ik weet niet meer waar het begon.
Plots was er de dag dat we samen een derde kussen kochten en onze dromen opruimden om plaats te maken voor haar loodzware lichaam. Onder het gewicht van haar oogleden helden we zacht naar elkaar toe.
Ik maakte ontbijt voor twee maar zij at altijd mee. We joegen er liters koffie door, lieten de afwas staan tot het servies op was en begonnen dan weer van voor af aan.

Wanneer ze weer eens had gehuild verschoonde ik de lakens.
Op zondag speelde ze opgewekt piano. Jij keek toe over de rand van je boek en ik deed alsof ik niet zag dat je alles ongelezen liet.
Eerst kwam je niet meer slapen zonder haar. Toen kwam je niet meer slapen.

Ik weet niet meer zeker of ze er ooit niet geweest is.
Je groeide steeds diepere wortels, legde knoopjes met de hare. Ik wilde je wijzen op de wind op het groeiseizoen op hoe koud de bodem op het bos op buiten.

Ze lag maandenlang tussen ons in.
Ik wist altijd wanneer ze er was, tot ze niet meer weg ging. Tot jullie samen gingen.
Ik vraag me af of je voeten nu blauw onder haar gewicht,
of je de dingen nog gaat bezoeken, met welke ogen je kijken zal.

Reisverslag

Processed with VSCO with b5 preset

1 /
Ik sluit de deur van de boekwinkel en steek het plein over. Een jongen zoekt mijn blik en ik denk aan een petitie voor walvissen, stiften voor zieke kindjes, abonnementen. Hij spreidt zijn armen en roept:
‘Uw lievelingstelevisieprogramma toen u kind was!’
Ik heb het gevoel dat ik snel moet antwoorden, alsof hij ook ‘noem het eerste wat in je opkomt’ roept. Er gaat een eeuwigheid voorbij voor ik drie stappen verder eindelijk ‘Kulderzipke!’ kan antwoorden,
en er snel ‘Vlaams!’ aan toevoeg omdat hij vragend kijkt.

Hij roept de naam van zijn lievelingstelevisieprogramma toen hij kind was, waarna ik beloof het te zullen opzoeken en bekijken en hoewel ik nu al niet meer weet, wou ik dat ik wel nog. Ik wandel verder en het dringt tot me door dat hij geen petitie voor walvissen, geen stiften voor zieke kindjes, geen abonnementen.
Dat hij alleen maar iets van mij zodat ik dan iets van hem.

2 /
Ik zit op een terras. Ik ben hier voor de truffelmayo, de bistrotafels met marmeren blad. Adem de stad in en bedenk mezelf dat ik hier vooral zou willen wonen omdat mensen mij dan vragen zouden stellen op café en ik bij het formuleren van die antwoorden mezelf opnieuw zou verzinnen.

3 /
De tentoonstelling schrijft:
‘Is het jou al overkomen dat je een gesprek begint op een plek – een stad waar je vandaag kwam of een tentoonstelling op een andere verdieping – ‘
Ik verlies mijn aandacht bij het lezen en registreer niets, tot:
‘Sommige mensen of dingen zijn er misschien niet, maar het gesprek gaat verder.’

4 /
Iemand praat door een microfoon. Hij zegt: ‘Het volgende nummer gaat over twee mensen die elkaar blijven ontmoeten, en het is nog niet voorbij.’

5 /
Er zijn drie bartenders en evenveel publiek maar we springen samen op de muziek alsof we elkaar kennen, tot we elkaar kennen.

6 /
Ik kom de kamer van het hostel binnen en wek een jongen met het licht van de plafondlamp. Hij bedankt me want hij moet toch opstaan, zegt hij. Hij werkt bij de Amerikaanse luchtmacht en heeft een dochter van drie die hij niet ziet. We lachen om zijn schoenen bij het stapelbed en raden elkaars leeftijd.

7 /
Een man wil weten waar ik ga zitten maar dat heb ik nog niet beslist. Ik wil koffie, krijg ik er uit. Eén beslissing per zucht. Hij herhaalt zijn vraag en ik bestel de meest fruitige koffie van de vier.

8 /
Inkom voor een museum: 20 euro. Ik zeg heel luid ‘wablief’ maar betaal toch en loop verloren tussen de geverfde muren. Op deze plek wordt de kleur van de muren afgestemd op de tentoongestelde periode.

Ik moet wennen aan de kleuren op de achtergrond en vertel mezelf dat wit alleen maar doet alsof het neutraal is maar afhankelijk van de lichtinval en het tijdstip nog steeds de toon bepaalt. Lila voor het expressionisme.

9 /
Op de brug is er de zon en een novemberwind. Meer zuurstof in de lucht dan thuis. Alsof iemand mij er aan herinnert, dat je bij het puzzelen ook eerst de hoekjes zoekt
weet ik plots waar te beginnen.

27

Hij is altijd de klap, de klik,
de sluitertijd: afdrukken tussen het zichtbare en wat er valt te vereeuwigen in donkere kamers, het krioelen van lieveheersbeestjes onder lakens, hun stippen tellen,
ze sproeten noemen.

Schuilen is een vorm van maken, morsen. Van alle vlekken krijgen alleen de sterren namen, niet de kringen op tafel na overgoten glazen, vuile monden met volle lippen waar rood in droge velletjes dringt, schrobben van tanden en tongen, de nasmaak van een nacht zonder, een kamp op zolder, elkaar strikken, daar
na de lus de knoop worden.

Vallen is een vorm van maken, torsen. Van alle vlekken krijgen alleen de sterren namen, de rode ogen de witte spoken de oeps verdomme, bewogen. Hij is altijd de sluitertijd, de morser, de torser, de afwezige de olifant in de kamer en de man met de hamer

Ik zie hem steeds vaker met dode ogen schaterlachen, en ik plooi mijn lijf in drie: lende, knie – in de hoop dat dat de klap opvangt.

Blauw licht

Door de ramen van de tram zie je niet langer hoe het donker wordt. Er kleeft reclame op. Om het licht te houden. Een firmawagen met plaats voor vijf met slechts één inzittende houdt halt op de stoep, parkeert zich daar. De chauffeur bezoekt binnen een moeder. Een andere moeder zit in een fauteuil bij het raam. Ze zwaait naar mij. In mijn hoofd heet ze Rosa.

Door een raam kijken heeft iets van escapisme. Bij iemand anders binnenkijken zorgt ervoor dat je even niet bij jezelf moet binnenkijken. Bij het rusthuis om de hoek is mijn blik altijd welkom. Vaak slaapt een man met open mond in de stoel naast Rosa, zo ook vandaag. Ik kijk naar binnen, naar haar. Naar hoe de tijd haar niet langer de baas is. Hoe die alleen nog het einde mag bepalen, niet langer het tempo.

Ik verzamel krantenknipsels die bewijzen dat de wereld groter is dan mijn raam,
dan mijn Samsung Galaxy S8 met afgerond scherm. We zitten gevangen in algoritmes.
Slaapt u nog? In elke droom zie ik blauw licht aan het einde van de tunnel.

Aan halte Astrid beweegt de wereld. Politie met een fiets op de roltrap, een jonge vrouw op een toestel dat niet smart is maar wel een phone. Wel kleur, wel meer dan 9 karakters op het scherm. Ze stuurt een bericht, dat ze later zal zijn. We dragen dezelfde kleur sjaal. Hij stuurt niet terug.

De vrouw heeft een rugzak om. Met een rugzak om voel ik me een kind van twaalf in een enorm meisjeslichaam. Meer dan de helft van de mensen moet omhoog kijken om me aan te kijken. Een deel daarvan doet die moeite niet.

Meester Martens van het vierde leerjaar vertelde tijdens de lessen meetkunde altijd dat één meter tachtig de gemiddelde lengte is voor een man. Hij was één meter 80. Ik ben dat ook, nu. Het was niet mijn ambitie om gemiddeld te worden. Hij zette me thuis af omdat het op zijn weg was en omdat mama langer werkte dan de naschoolse opvang duurde. Hij reed met een rode Alfa Romeo en ik keek alleen maar door het raam, zei nooit wat. Alleen dankuwel en tot morgen. Toen had ik ook een rugzak.

Aan halte Astrid beweegt de wereld.
Ik doe mijn best om rechtop te lopen. Verbergen is een vorm van oprollen. Het was niet mijn ambitie om gemiddeld te worden. Er is een vrouw die haar raampje laat vallen. Omstanders houden hun adem in tot de opluchting van haar gezicht te lezen valt. Het scherm is niet gebarsten. Haar wereld niet gebroken.

Ik verzamel krantenknipsels die bewijzen dat de wereld groter is dan mijn raam,
dan mijn Samsung Galaxy S8 met afgerond scherm. We zitten gevangen in algoritmes.
Slaapt u nog? In elke droom zie ik blauw licht aan het einde van de tunnel.

Door de ramen van de tram zie je niet langer hoe het donker wordt. Er kleeft reclame op. Om het licht te houden. Een firmawagen houdt halt op de stoep, parkeert zich daar. De chauffeur bezoekt binnen een moeder. De andere moeder zit in een fauteuil bij het raam. Ze zwaait ook vandaag weer naar mij. In mijn hoofd heet ze Rosa.

Ik kijk daar naar binnen zodat ik even niet bij mezelf moet binnenkijken. Ik kijk naar haar, naar hoe de tijd haar niet langer de baas is. Vaak slaapt een man met open mond in de stoel naast Rosa, vandaag niet. Ze stuurde een bericht, dat ze later zou zijn. We dragen dezelfde kleur sjaal. Ik verzamel krantenknipsels die bewijzen dat de wereld groter is dan mijn raam.