27

door LJMV

Hij is altijd de klap, de klik,
de sluitertijd: afdrukken tussen het zichtbare en wat er valt te vereeuwigen in donkere kamers, het krioelen van lieveheersbeestjes onder lakens, hun stippen tellen,
ze sproeten noemen.

Schuilen is een vorm van maken, morsen. Van alle vlekken krijgen alleen de sterren namen, niet de kringen op tafel na overgoten glazen, vuile monden met volle lippen waar rood in droge velletjes dringt, schrobben van tanden en tongen, de nasmaak van een nacht zonder, een kamp op zolder, elkaar strikken, daar
na de lus de knoop worden.

Vallen is een vorm van maken, torsen. Van alle vlekken krijgen alleen de sterren namen, de rode ogen de witte spoken de oeps verdomme, bewogen. Hij is altijd de sluitertijd, de morser, de torser, de afwezige de olifant in de kamer en de man met de hamer

Ik zie hem steeds vaker met dode ogen schaterlachen, en ik plooi mijn lijf in drie: lende, knie – in de hoop dat dat de klap opvangt.

Advertenties