Wanneer ben ik eindelijk

door LJMV

Ik bofte als zij er was
bij het ontbijt we aten
gepofte granen met honingsmaak
Zij praatte ik dronk de melk
nooit helemaal omdat ze intussen
te zoet geworden was

Het korrelde zwart om haar ogen
en het roken deed d’r lippen leeglopen
Ze leken steeds meer te wijken
voor de huid van abrikozen
overrijpe

Ik wou heen waar zij was
en tijdens het wachten
stopte ik
stopte ik mijn kleine voetjes
in haar hoge hakken
die ze niet meer draagt
sinds in de omhelzing
mijn kin op haar kruin rust

Tussen meisjes en moeders
heerst een vage jaloezie
de één wil jong
de ander alles
alles nu al zien
alles nu al zijn

Groot genoeg
voor lippenstift nu
praat de spiegel soms
met haar mond
en weet ik niet zeker
of ik blij
of ik blijf
bij wat ik hier vond.

Advertenties