LJMV

Lies Jo Vandenhende

Maand: juni, 2015

De ware, de waarheid, de pijnstillers

Zijn de monsters vanonder bed de dagen binnengeslopen? De avond brengt ons haar interpretatie van een zeester op het droge. Vier ledematen languit op bed. Heel luide donder. Soms wel een halve minuut lang. De zon schijnt verlegen en het regent pijpenstelen

Onverstoord. Ze schrikt niet op van het lawaai, is zich niet bewust van het poëtische in de scène. Geen pijn of vreugde, geen gevoel. Vier ledematen languit op bed. De lakens ook. Uitgestrekt. Onverstoorbaar bestaand in hun omgeving. Ze zijn gewoon. Onverschillig over het feit dat ze niets speciaal zijn. De goedkoopste set beddengoed uit de vakken van een Nederlandse keten. Wit. Ze zijn, ongecompliceerd.
Ziekenhuizen, hotels en tumblr. Witte lakens.

Heel luide donder. Soms wel een halve minuut lang. De restjes van haar concealer kleuren het onderlaken met wolkjes huidskleur. Alsof haar wallen ’s nachts wel het daglicht mogen zien. Haar benen knopen de lakens, maar zijn slechts twee tinten donkerder.
Nog steeds donder.

De dag wordt weggespoeld. Opnieuw. Wolken overtrekken de buurt voor zover ze kan kijken, maar achter dat dik gordijn schijnt nog steeds de zon. De hemel vormt met die gele waas een obscuur canvas voor het leger regendruppels dat bijna kwaad naar beneden raast. Het uitzicht woelt mee. De straten blank. Takken hangen als droevig bezit van bomen in geforceerde achtertuinen. Onderhevig aan de regenval. Het raam blijft droog.

“Ik ben er zo, rossekop” – leest haar scherm.
De lakens opschudden? Het zoute zwart van haar wangen vegen? Wat kwam eerst? Snel beslissen. Nog vijf minuten. Misschien zes. De zon had haar al lang tot blondine bekeerd. Wist hij veel. Gerommel op de gang. De liftdeur gedempt. Één diepe buiging van de klink tovert blauwgrijze irissen, vol vraagtekens.
– ‘Waar was je de laatste tijd?’
“Ik was geloof ik op koffie bij mezelf.”
– ‘Vandaar de stiltes?’
“Ik drink mijn koffie zwart.”

Ze staan. Ze staan in stilte. Op welk exact moment adopteer je zijn littekens en noem je ze de jouwe? Twee paar longen met lucht als hun lichamen, samengeperst. Adem ingehouden. Ontsnappingsdrang.
Als je stil genoeg bent…

Bijna onmerkbaar fluiten zijn lippen bij het uitademen.
Oplosbaar. Liefde is als een aspirientje.

“Ik wil weten wie ze is.”
– ‘Gewoon, een meisje.’
“Wie is zij?”
– ‘Waarom vraag je me nooit wie jij bent?’
“Ik weet wie ik ben.”
– ‘Je weet wie je wil zijn.’

Op welk exact moment adopteer je zijn littekens en noem je ze de jouwe? Is het honger of goesting? Nieuwsgierigheid. Of schuilt de verminking in het wantrouwen?
Want, trouw en
Want rouwen
Want trouwens
Liefde is als een aspirientje. Maar wie vermijdt de kater? Hij die zich onwaardig voelt is schuldig aan afwijzing.
Vertrouwen.

– ‘Steek je je hand in het vuur uit stompzinnigheid, of om de gedeelde kaarten te verbranden?’
“Geen van beiden.”
– ‘Uit egoïsme dan.’
“Uit liefde.”
– ‘Die twee zijn één.’
“Rekenwonder.’
– ‘De mens heeft lief uit noodzaak. Om de kloof te dichten tussen wie hij is, en wie hij wil zijn. Onze motieven om te houden van zijn onbetrouwbaar. Zelfzuchtig. Bedrieglijk.’
“Onvoorwaardelijk is meer dan een woord.”
– ‘Het is een sprookje. En het was eens.’
Ze snikte.
“Wonderkind, ik kan niet plotseling liefhebben op een lager pitje omdat ik niet langer de enige ben. Ik kan er wel, kapot aan gaan.”

Advertenties

Als gegoten

image
Heb je jezelf wel eens afgevraagd
waarom niemand ooit afscheid kan nemen
van zijn zwarte leren jas
Ik heb hem lief met piepende longen
die de herinnering aan hun capaciteit verdrongen
Hij heeft mij in zijn binnenzak

Ik ben, nachtblind, een dagkind
de wekker-zetten-om-acht kind
Hij is slechts maar telkens
een vrijdagavond van me verwijderd
Onder een nieuwe maan
plankgas door oranje rijden
Blikken wisselen met passanten
die oversteken zonder kijken
Hij is het lawaai in de koffer
want ‘voor u ga ik over lijken’

Als wij de dagen speelden
was het telkens weer een zondagochtend
Zorgeloos verzonken in de zonde
alles dat we niet mochten
Hij en ik en hoe makkelijk het gaat
als de eerste uren van een dag
waar niets moet en alles mag
Kussen boven mijn koffietas
eens hij je als gegoten zit
is er niemand anders die hem nog past