LJMV

Lies Jo Vandenhende

Liefste Luna

Ik schrijf je van op de trein. Een meisje legt de spelregels van ‘blad steen schaar’ uit aan de persoon naast zich.
De helft van de bevolking zegt ‘schaar steen papier’ en in dit geval kan de waarheid onmogelijk ergens in het midden liggen.
Gij hebt schaar, dus gij hebt mij kapotgemaakt.
De steen kan een schaar pakken.
De schaar kan een blad pakken.
Het blad kan een steen kapot doen.
Je zei net dat de steen het sterkste is.
Dat heb ik nooit gezegd.
Gij hebt schaar dus gij hebt mij kapot gemaakt.
Gij hebt gewonnen.

Waarom zijn wij altijd onderweg met valiezen en oude lieven?
Niemand haalt ooit zijn gelijk en iedereen doet zijn eigen goesting. We helpen elkaar bagage te stapelen boven onze hoofden, als je er iets uit nodig hebt dreigt alles te vallen, het middenpad moet vrij blijven.

Elke liefde opnieuw de vragen. Welke stad kiezen we om aan elkaar te wennen, om verveeld te raken in een stroomversnelling, van daken te schreeuwen: niemand slaapt hier. Van daken te springen en in een poging tot slapen: stop met schreeuwen.

Alleen de ochtend ritst ons weer samen.Is lezen toegeven aan het onvermogen alle levens te lijden? Is schrijven een vergeefse poging om dat toch te doen?
Het laatste ontspruit geloof ik uit mijn drang naar conversatie, maar mijn voldoening blijft onbeslapen. Wals met mij op de bodem van glazen, ik wil niet kiezen welke kant van het bed de mijne is.

Bij het schrijven twijfel ik tussen woorden als kwijtraken en achterlaten. Hoe lang is het geleden dat iemand je passie deelde? Eens je groot bent deelt niemand je obsessies, deel je met niemand je obsessies. Niemand kan nog liefhebben als het paardenmeisje van de klas, het briefpapier, de ringkaft.

Weet je nog toen ik je smeekte niet voltijds te gaan werken voor de mensen, voorspelde hoe je zonder licht in je ogen thuis zou komen? Wij raakten jaren de stad niet uit, bang voor wat ze er mee zouden doen. We getuigden van wegenwerken, plastische chirurgie voor straten en lanen en altijd de vraag
of het origineel niet onze enige thuis was.

Hoe vertel ik jou dat we niet meer botsen, het blad wint van de schaar. Verlangen is zo traag dat het kraakt in de zomer, uitzet. Teleurstelling als shocktherapie voor verwachtingen. Zonder licht in je ogen, schaduw is een noodzakelijk bewijs van aanwezigheid.

Gij hebt gewonnen.

Advertenties

Vatra, tamo

Oost-Europa, ons escapisme
omlijst een berglandschap onder het gestamel
van een ruitenwisser, ik zei je nog
eerst de garage maar we gingen
zo ging het al een tijdje

langs grenzen
waar niemand lijkt te lachen
lijmt een blauwe vrouw op de voorruit
dat we nu haar wegen betreden
dat dat een westers privilege

ik ontwar het dorre land
tussen mijn witte wimpers
opnieuw ontstaat er brand rechts van ons

de koorts overvalt me, tussen ons
woeden geen bosbranden meer
zonde nu ik eindelijk weet
hoe de brandblusser werkt

ik had het nooit zien aankomen
als de weg niet uit glas bestond

een volgend lichterlaaie, de remafstand
plant een vlag waar ik inadem
er is geen restwaarde na een inferno

ik zei je nog
eerst de garage maar we gingen
zo ging het al een tijdje

Mimesis

Ik viel vlak voor ik zei:
Kus me nog een keer
terwijl ik zeg dat ik je haat
dan zijn we nog steeds niets
maar spelen we alvast moeder
en vader van de poëzie
– herhaling, contradictie

ménage à trois

Processed with VSCO with  preset

Ik wist altijd wanneer ze er was.
Ze deed niets om het te verstoppen.
Er waren de restjes gloss op de glazen, de extra voetstappen, de zwaarte.

Vroeger stond ik op je schoenen en wandelde je zo heel de kamer met me rond
om minder sporen na te laten,
onze energie te sparen.
We hadden het over hoe we de dingen zouden bezoeken met mijn ogen en jouw voeten.

Ik weet niet meer waar het begon.
Plots was er de dag dat we samen een derde kussen kochten en onze dromen opruimden om plaats te maken voor haar loodzware lichaam. Onder het gewicht van haar oogleden helden we zacht naar elkaar toe.
Ik maakte ontbijt voor twee maar zij at altijd mee. We joegen er liters koffie door, lieten de afwas staan tot het servies op was en begonnen dan weer van voor af aan.

Wanneer ze weer eens had gehuild verschoonde ik de lakens.
Op zondag speelde ze opgewekt piano. Jij keek toe over de rand van je boek en ik deed alsof ik niet zag dat je alles ongelezen liet.
Eerst kwam je niet meer slapen zonder haar. Toen kwam je niet meer slapen.

Ik weet niet meer zeker of ze er ooit niet geweest is.
Je groeide steeds diepere wortels, legde knoopjes met de hare. Ik wilde je wijzen op de wind op het groeiseizoen op hoe koud de bodem op het bos op buiten.

Ze lag maandenlang tussen ons in.
Ik wist altijd wanneer ze er was, tot ze niet meer weg ging. Tot jullie samen gingen.
Ik vraag me af of je voeten nu blauw onder haar gewicht,
of je de dingen nog gaat bezoeken, met welke ogen je kijken zal.

Nieuwjaarsbrief

Processed with VSCO with c1 preset

Schrijvers liegen de waarheid bij elkaar, denk daaraan. Mijn beleving is maar een fractie van de realiteit en wordt gekleurd door ego, emoties, oude spoken en het onvermogen om dingen in zijn volledigheid te verwoorden.

In het licht van die onvolledigheid lijst ik deze ‘Wat 2018 Mij Leerde’ alvast op in november. In de hoop dat de lessen op hun einde lopen.

Dit was het jaar dat ik ging samenwonen met de liefde van mijn leven, eindelijk twee droomjobs mocht combineren. Mijn lijf leerde appreciëren. De kracht vond om de juiste mensen aan te spreken. En wist: ik wil gewoon maken, wat woorden samenrapen.

Ik schrijf dit met een hersenschudding en een troebel hart, vanuit een oude slaapkamer met mijn hoofd al in een nieuwe woonkamer op een andere plek in een nieuwe straat die hopelijk mijn thuis wordt. En ik ben verliefd op elke vrouw die ik vanaf dit punt kan zijn.

De laatste zeven jaar zag ik volgende postcodes, in volgorde:
2540 – 2000 – 2070 – 2060 – 2070 – 2600 – 2018 – 2060, en binnenkort: 2020.
Da’s acht keer dozen verzamelen en doen alsof spullen ons bepalen.
Als ik een kat was, was dit mijn laatste leven.

Ik sprak met iemand de vijftig nabij over zoeken en dat het zoeken blijft, dat dat het schone d’r aan is. Ze zei dat ik gewoon niet mag vergeten om onderweg te genieten en hoe cliché dat ook lijkt, van een vrouw die ik nooit zal zijn wordt het een waarschuwing die ik ter harte neem. Ons bewustzijn is het enige ware bezit. Deze hoofdpijn, de gebarsten salontafel, het vullen van de eerste verhuisdozen. De volle maan, de steeg. De twijfel, de beslissingen.

Tegenwoordig blijft de post ongeopend als stapeltje tijd, de brieven turven hoe lang je al weg bent. Ik tel je hemden. We streken nooit, genoten van de plooien. De kalender blijft onaangeraakt zodat ik niet vergeet wanneer de herfst van onze liefde begon. Mensen spreken over hoe mooi we verkleurden, maar we konden niet anders dan onze bladeren laten vallen.

Soms kijk ik rond en denk ik: hoe kan het dat er absoluut niets veranderd is.
Soms kijk ik terug en denk ik: hoe kan het dat niets nog hetzelfde is.

Aan de mensen in mijn binnenste cirkel: Merci. Om me te raken, te begrijpen, te helpen gronden dit jaar. Ik heb meer gepraat en harder gevochten dan ooit tevoren, voor mezelf, voor mijn thuis. Nu is er voor het eerst het gevoel dat ik wortels groei. Ik leerde dit jaar vooral dat niets ooit genoeg zal zijn, maar ik geniet van de schoonheid in de onvolledigheid, van het ontbreken van een tweede kans.

Reisverslag

Processed with VSCO with b5 preset

1 /
Ik sluit de deur van de boekwinkel en steek het plein over. Een jongen zoekt mijn blik en ik denk aan een petitie voor walvissen, stiften voor zieke kindjes, abonnementen. Hij spreidt zijn armen en roept:
‘Uw lievelingstelevisieprogramma toen u kind was!’
Ik heb het gevoel dat ik snel moet antwoorden, alsof hij ook ‘noem het eerste wat in je opkomt’ roept. Er gaat een eeuwigheid voorbij voor ik drie stappen verder eindelijk ‘Kulderzipke!’ kan antwoorden,
en er snel ‘Vlaams!’ aan toevoeg omdat hij vragend kijkt.

Hij roept de naam van zijn lievelingstelevisieprogramma toen hij kind was, waarna ik beloof het te zullen opzoeken en bekijken en hoewel ik nu al niet meer weet, wou ik dat ik wel nog. Ik wandel verder en het dringt tot me door dat hij geen petitie voor walvissen, geen stiften voor zieke kindjes, geen abonnementen.
Dat hij alleen maar iets van mij zodat ik dan iets van hem.

2 /
Ik zit op een terras. Ik ben hier voor de truffelmayo, de bistrotafels met marmeren blad. Adem de stad in en bedenk mezelf dat ik hier vooral zou willen wonen omdat mensen mij dan vragen zouden stellen op café en ik bij het formuleren van die antwoorden mezelf opnieuw zou verzinnen.

3 /
De tentoonstelling schrijft:
‘Is het jou al overkomen dat je een gesprek begint op een plek – een stad waar je vandaag kwam of een tentoonstelling op een andere verdieping – ‘
Ik verlies mijn aandacht bij het lezen en registreer niets, tot:
‘Sommige mensen of dingen zijn er misschien niet, maar het gesprek gaat verder.’

4 /
Iemand praat door een microfoon. Hij zegt: ‘Het volgende nummer gaat over twee mensen die elkaar blijven ontmoeten, en het is nog niet voorbij.’

5 /
Er zijn drie bartenders en evenveel publiek maar we springen samen op de muziek alsof we elkaar kennen, tot we elkaar kennen.

6 /
Ik kom de kamer van het hostel binnen en wek een jongen met het licht van de plafondlamp. Hij bedankt me want hij moet toch opstaan, zegt hij. Hij werkt bij de Amerikaanse luchtmacht en heeft een dochter van drie die hij niet ziet. We lachen om zijn schoenen bij het stapelbed en raden elkaars leeftijd.

7 /
Een man wil weten waar ik ga zitten maar dat heb ik nog niet beslist. Ik wil koffie, krijg ik er uit. Eén beslissing per zucht. Hij herhaalt zijn vraag en ik bestel de meest fruitige koffie van de vier.

8 /
Inkom voor een museum: 20 euro. Ik zeg heel luid ‘wablief’ maar betaal toch en loop verloren tussen de geverfde muren. Op deze plek wordt de kleur van de muren afgestemd op de tentoongestelde periode.

Ik moet wennen aan de kleuren op de achtergrond en vertel mezelf dat wit alleen maar doet alsof het neutraal is maar afhankelijk van de lichtinval en het tijdstip nog steeds de toon bepaalt. Lila voor het expressionisme.

9 /
Op de brug is er de zon en een novemberwind. Meer zuurstof in de lucht dan thuis. Alsof iemand mij er aan herinnert, dat je bij het puzzelen ook eerst de hoekjes zoekt
weet ik plots waar te beginnen.

27

Hij is altijd de klap, de klik,
de sluitertijd: afdrukken tussen het zichtbare en wat er valt te vereeuwigen in donkere kamers, het krioelen van lieveheersbeestjes onder lakens, hun stippen tellen,
ze sproeten noemen.

Schuilen is een vorm van maken, morsen. Van alle vlekken krijgen alleen de sterren namen, niet de kringen op tafel na overgoten glazen, vuile monden met volle lippen waar rood in droge velletjes dringt, schrobben van tanden en tongen, de nasmaak van een nacht zonder, een kamp op zolder, elkaar strikken, daar
na de lus de knoop worden.

Vallen is een vorm van maken, torsen. Van alle vlekken krijgen alleen de sterren namen, de rode ogen de witte spoken de oeps verdomme, bewogen. Hij is altijd de sluitertijd, de morser, de torser, de afwezige de olifant in de kamer en de man met de hamer

Ik zie hem steeds vaker met dode ogen schaterlachen, en ik plooi mijn lijf in drie: lende, knie – in de hoop dat dat de klap opvangt.