LJMV

Lies Jo Vandenhende

ménage à trois

Processed with VSCO with  preset

Ik wist altijd wanneer ze er was.
Ze deed niets om het te verstoppen.
Er waren de restjes gloss op de glazen, de extra voetstappen, de zwaarte.

Vroeger stond ik op je schoenen en wandelde je zo heel de kamer met me rond
om minder sporen na te laten,
onze energie te sparen.
We hadden het over hoe we de dingen zouden bezoeken met mijn ogen en jouw voeten.

Ik weet niet meer waar het begon.
Plots was er de dag dat we samen een derde kussen kochten en onze dromen opruimden om plaats te maken voor haar loodzware lichaam. Onder het gewicht van haar oogleden helden we zacht naar elkaar toe.
Ik maakte ontbijt voor twee maar zij at altijd mee. We joegen er liters koffie door, lieten de afwas staan tot het servies op was en begonnen dan weer van voor af aan.

Wanneer ze weer eens had gehuild verschoonde ik de lakens.
Op zondag speelde ze opgewekt piano. Jij keek toe over de rand van je boek en ik deed alsof ik niet zag dat je alles ongelezen liet.
Eerst kwam je niet meer slapen zonder haar. Toen kwam je niet meer slapen.

Ik weet niet meer zeker of ze er ooit niet geweest is.
Je groeide steeds diepere wortels, legde knoopjes met de hare. Ik wilde je wijzen op de wind op het groeiseizoen op hoe koud de bodem op het bos op buiten.

Ze lag maandenlang tussen ons in.
Ik wist altijd wanneer ze er was, tot ze niet meer weg ging. Tot jullie samen gingen.
Ik vraag me af of je voeten nu blauw onder haar gewicht,
of je de dingen nog gaat bezoeken, met welke ogen je kijken zal.

Advertenties

Nieuwjaarsbrief

Processed with VSCO with c1 preset

Schrijvers liegen de waarheid bij elkaar, denk daaraan. Mijn beleving is maar een fractie van de realiteit en wordt gekleurd door ego, emoties, oude spoken en het onvermogen om dingen in zijn volledigheid te verwoorden.

In het licht van die onvolledigheid lijst ik deze ‘Wat 2018 Mij Leerde’ alvast op in november. In de hoop dat de lessen op hun einde lopen.

Dit was het jaar dat ik ging samenwonen met de liefde van mijn leven, eindelijk twee droomjobs mocht combineren. Mijn lijf leerde appreciëren. De kracht vond om de juiste mensen aan te spreken. En wist: ik wil gewoon maken, wat woorden samenrapen.

Ik schrijf dit met een hersenschudding en een troebel hart, vanuit een oude slaapkamer met mijn hoofd al in een nieuwe woonkamer op een andere plek in een nieuwe straat die hopelijk mijn thuis wordt. En ik ben verliefd op elke vrouw die ik vanaf dit punt kan zijn.

De laatste zeven jaar zag ik volgende postcodes, in volgorde:
2540 – 2000 – 2070 – 2060 – 2070 – 2600 – 2018 – 2060, en binnenkort: 2020.
Da’s acht keer dozen verzamelen en doen alsof spullen ons bepalen.
Als ik een kat was, was dit mijn laatste leven.

Ik sprak met iemand de vijftig nabij over zoeken en dat het zoeken blijft, dat dat het schone d’r aan is. Ze zei dat ik gewoon niet mag vergeten om onderweg te genieten en hoe cliché dat ook lijkt, van een vrouw die ik nooit zal zijn wordt het een waarschuwing die ik ter harte neem. Ons bewustzijn is het enige ware bezit. Deze hoofdpijn, de gebarsten salontafel, het vullen van de eerste verhuisdozen. De volle maan, de steeg. De twijfel, de beslissingen.

Tegenwoordig blijft de post ongeopend als stapeltje tijd, de brieven turven hoe lang je al weg bent. Ik tel je hemden. We streken nooit, genoten van de plooien. De kalender blijft onaangeraakt zodat ik niet vergeet wanneer de herfst van onze liefde begon. Mensen spreken over hoe mooi we verkleurden, maar we konden niet anders dan onze bladeren laten vallen.

Soms kijk ik rond en denk ik: hoe kan het dat er absoluut niets veranderd is.
Soms kijk ik terug en denk ik: hoe kan het dat niets nog hetzelfde is.

Aan de mensen in mijn binnenste cirkel: Merci. Om me te raken, te begrijpen, te helpen gronden dit jaar. Ik heb meer gepraat en harder gevochten dan ooit tevoren, voor mezelf, voor mijn thuis. Nu is er voor het eerst het gevoel dat ik wortels groei. Ik leerde dit jaar vooral dat niets ooit genoeg zal zijn, maar ik geniet van de schoonheid in de onvolledigheid, van het ontbreken van een tweede kans.

‘Ik viel voor hem, vlak voor ik zei:
Kus me nog een keer, terwijl ik zeg dat ik je haat. Dan hebben we alvast de herhaling, en de contradictie. Moeder en vader van de poëzie.’

Reisverslag

Processed with VSCO with b5 preset

1 /
Ik sluit de deur van de boekwinkel en steek het plein over. Een jongen zoekt mijn blik en ik denk aan een petitie voor walvissen, stiften voor zieke kindjes, abonnementen. Hij spreidt zijn armen en roept:
‘Uw lievelingstelevisieprogramma toen u kind was!’
Ik heb het gevoel dat ik snel moet antwoorden, alsof hij ook ‘noem het eerste wat in je opkomt’ roept. Er gaat een eeuwigheid voorbij voor ik drie stappen verder eindelijk ‘Kulderzipke!’ kan antwoorden,
en er snel ‘Vlaams!’ aan toevoeg omdat hij vragend kijkt.

Hij roept de naam van zijn lievelingstelevisieprogramma toen hij kind was, waarna ik beloof het te zullen opzoeken en bekijken en hoewel ik nu al niet meer weet, wou ik dat ik wel nog. Ik wandel verder en het dringt tot me door dat hij geen petitie voor walvissen, geen stiften voor zieke kindjes, geen abonnementen.
Dat hij alleen maar iets van mij zodat ik dan iets van hem.

2 /
Ik zit op een terras. Ik ben hier voor de truffelmayo, de bistrotafels met marmeren blad. Adem de stad in en bedenk mezelf dat ik hier vooral zou willen wonen omdat mensen mij dan vragen zouden stellen op café en ik bij het formuleren van die antwoorden mezelf opnieuw zou verzinnen.

3 /
De tentoonstelling schrijft:
‘Is het jou al overkomen dat je een gesprek begint op een plek – een stad waar je vandaag kwam of een tentoonstelling op een andere verdieping – ‘
Ik verlies mijn aandacht bij het lezen en registreer niets, tot:
‘Sommige mensen of dingen zijn er misschien niet, maar het gesprek gaat verder.’

4 /
Iemand praat door een microfoon. Hij zegt: ‘Het volgende nummer gaat over twee mensen die elkaar blijven ontmoeten, en het is nog niet voorbij.’

5 /
Er zijn drie bartenders en evenveel publiek maar we springen samen op de muziek alsof we elkaar kennen, tot we elkaar kennen.

6 /
Ik kom de kamer van het hostel binnen en wek een jongen met het licht van de plafondlamp. Hij bedankt me want hij moet toch opstaan, zegt hij. Hij werkt bij de Amerikaanse luchtmacht en heeft een dochter van drie die hij niet ziet. We lachen om zijn schoenen bij het stapelbed en raden elkaars leeftijd.

7 /
Een man wil weten waar ik ga zitten maar dat heb ik nog niet beslist. Ik wil koffie, krijg ik er uit. Eén beslissing per zucht. Hij herhaalt zijn vraag en ik bestel de meest fruitige koffie van de vier.

8 /
Inkom voor een museum: 20 euro. Ik zeg heel luid ‘wablief’ maar betaal toch en loop verloren tussen de geverfde muren. Op deze plek wordt de kleur van de muren afgestemd op de tentoongestelde periode.

Ik moet wennen aan de kleuren op de achtergrond en vertel mezelf dat wit alleen maar doet alsof het neutraal is maar afhankelijk van de lichtinval en het tijdstip nog steeds de toon bepaalt. Lila voor het expressionisme.

9 /
Op de brug is er de zon en een novemberwind. Meer zuurstof in de lucht dan thuis. Alsof iemand mij er aan herinnert, dat je bij het puzzelen ook eerst de hoekjes zoekt
weet ik plots waar te beginnen.

Barkruk

roffa

Ik kwam hier vandaag om mezelf te vinden
of achter te laten, in de constellatie die mensen vormen
met hun verdriet en de stad die voor ze zichzelf kent weer een ander is
waar gevels gezichten met beugels, we alles recht willen zetten
nooit is er iemand die zucht
dat ze niet meer te redden vallen
dat we onze façades zandstralen en doen alsof de brandtrap een veilige uitweg
maar zelfs dan moet je durven springen
meestal zit er een meter tussen ons en de dingen
of ik tel het aantal nooduitgangen
of ik ga er met mijn rug heen zitten

27

Hij is altijd de klap, de klik,
de sluitertijd: afdrukken tussen het zichtbare en wat er valt te vereeuwigen in donkere kamers, het krioelen van lieveheersbeestjes onder lakens, hun stippen tellen,
ze sproeten noemen.

Schuilen is een vorm van maken, morsen. Van alle vlekken krijgen alleen de sterren namen, niet de kringen op tafel na overgoten glazen, vuile monden met volle lippen waar rood in droge velletjes dringt, schrobben van tanden en tongen, de nasmaak van een nacht zonder, een kamp op zolder, elkaar strikken, daar
na de lus de knoop worden.

Vallen is een vorm van maken, torsen. Van alle vlekken krijgen alleen de sterren namen, de rode ogen de witte spoken de oeps verdomme, bewogen. Hij is altijd de sluitertijd, de morser, de torser, de afwezige de olifant in de kamer en de man met de hamer

Ik zie hem steeds vaker met dode ogen schaterlachen, en ik plooi mijn lijf in drie: lende, knie – in de hoop dat dat de klap opvangt.

Blauw licht

Door de ramen van de tram zie je niet langer hoe het donker wordt. Er kleeft reclame op. Om het licht te houden. Een firmawagen met plaats voor vijf met slechts één inzittende houdt halt op de stoep, parkeert zich daar. De chauffeur bezoekt binnen een moeder. Een andere moeder zit in een fauteuil bij het raam. Ze zwaait naar mij. In mijn hoofd heet ze Rosa.

Door een raam kijken heeft iets van escapisme. Bij iemand anders binnenkijken zorgt ervoor dat je even niet bij jezelf moet binnenkijken. Bij het rusthuis om de hoek is mijn blik altijd welkom. Vaak slaapt een man met open mond in de stoel naast Rosa, zo ook vandaag. Ik kijk naar binnen, naar haar. Naar hoe de tijd haar niet langer de baas is. Hoe die alleen nog het einde mag bepalen, niet langer het tempo.

Ik verzamel krantenknipsels die bewijzen dat de wereld groter is dan mijn raam,
dan mijn Samsung Galaxy S8 met afgerond scherm. We zitten gevangen in algoritmes.
Slaapt u nog? In elke droom zie ik blauw licht aan het einde van de tunnel.

Aan halte Astrid beweegt de wereld. Politie met een fiets op de roltrap, een jonge vrouw op een toestel dat niet smart is maar wel een phone. Wel kleur, wel meer dan 9 karakters op het scherm. Ze stuurt een bericht, dat ze later zal zijn. We dragen dezelfde kleur sjaal. Hij stuurt niet terug.

De vrouw heeft een rugzak om. Met een rugzak om voel ik me een kind van twaalf in een enorm meisjeslichaam. Meer dan de helft van de mensen moet omhoog kijken om me aan te kijken. Een deel daarvan doet die moeite niet.

Meester Martens van het vierde leerjaar vertelde tijdens de lessen meetkunde altijd dat één meter tachtig de gemiddelde lengte is voor een man. Hij was één meter 80. Ik ben dat ook, nu. Het was niet mijn ambitie om gemiddeld te worden. Hij zette me thuis af omdat het op zijn weg was en omdat mama langer werkte dan de naschoolse opvang duurde. Hij reed met een rode Alfa Romeo en ik keek alleen maar door het raam, zei nooit wat. Alleen dankuwel en tot morgen. Toen had ik ook een rugzak.

Aan halte Astrid beweegt de wereld.
Ik doe mijn best om rechtop te lopen. Verbergen is een vorm van oprollen. Het was niet mijn ambitie om gemiddeld te worden. Er is een vrouw die haar raampje laat vallen. Omstanders houden hun adem in tot de opluchting van haar gezicht te lezen valt. Het scherm is niet gebarsten. Haar wereld niet gebroken.

Ik verzamel krantenknipsels die bewijzen dat de wereld groter is dan mijn raam,
dan mijn Samsung Galaxy S8 met afgerond scherm. We zitten gevangen in algoritmes.
Slaapt u nog? In elke droom zie ik blauw licht aan het einde van de tunnel.

Door de ramen van de tram zie je niet langer hoe het donker wordt. Er kleeft reclame op. Om het licht te houden. Een firmawagen houdt halt op de stoep, parkeert zich daar. De chauffeur bezoekt binnen een moeder. De andere moeder zit in een fauteuil bij het raam. Ze zwaait ook vandaag weer naar mij. In mijn hoofd heet ze Rosa.

Ik kijk daar naar binnen zodat ik even niet bij mezelf moet binnenkijken. Ik kijk naar haar, naar hoe de tijd haar niet langer de baas is. Vaak slaapt een man met open mond in de stoel naast Rosa, vandaag niet. Ze stuurde een bericht, dat ze later zou zijn. We dragen dezelfde kleur sjaal. Ik verzamel krantenknipsels die bewijzen dat de wereld groter is dan mijn raam.

Nul notificaties

Ik word binnen zes maanden en vier dagen dertig jaar en heb geen idee hoe ik me daarbij voel. Of ik überhaupt iets voel.

Het is zondag, late namiddag. De winterzon hangt lager dan Johnny’s die hun chauffeursstoel op ‘extra stoer’ instellen. Ik heb het nieuwe appartement nooit zonovergoten gezien. De ramen van het huis aan de overkant, elk raam een gordijn uit andere stof en allen ofwel te groot ofwel te klein, weerkaatsen het licht waar we het die dag mee moeten doen. Planten blij.

Zit op de bank na het uitlepelen van een pot Ben & Jerry’s smaak ‘Sofa So N’ice’ met caramel, chocolate brownies, chocolate cookies en meer caramel. Zuinig trots op het feit dat ik de inhoud verspreidde over twee avonden en een namiddag en niet tot comateuze toestand toe in één keer naar binnen kegelde.

Ooit kocht ik met twee vrienden alle smaken die er toen te vinden waren en speelden we ijsproeverij tot zowat al onze organen protesteerden. Ik ben er van overtuigd dat die overdosis suiker me voorgoed veranderd heeft. Voor mij ging ‘O.D.’ van Kendrick daar over. Overly Dedicated als het aankomt op alles dat bestaat uit vrachtwagenladingen suiker en bewaarmiddelen. Yay.

Een goede vriendin en huisgenoot die nu mijn huisgenoot niet meer is omdat ik haar inruilde voor een mannelijk exemplaar waar ik ook nog eens verliefd op ben, kwam vandaag op bezoek en is net weg. Hence de krijmgelas. Niet meteen nog sleepovers en meisjesdingen in het verschiet dus mijn Peter Pan ambities vasthouden met dessert nog voor het avondeten.

Ik word dit jaar dertig en ik heb het gevoel dat ik hier nog maar een jaar of zeven écht ben. Bewust ben van mijn identiteit en mijn lichaam en van die dingen. Al jaren op zoek naar een soort van evenwicht in deze modderpoel der volwassen leven. Bij het woord modderpoel moet ik altijd aan Shrek denken. Aan het stuk waarin Shrek uitlegt dat ogers zoals ajuinen zijn, omdat ze lagen hebben. Let me tell you: ajuin zijn is vermoeiend.

Afgelopen jaar liep ik een tijd rond met een ontstoken pees in mijn rechterhand. Letsel der overmatig scrollen. I kid you not. Ik was ontevreden, onrustig, dwangmatig alles aan het vastleggen, niet in staat om me te concentreren, vergeleek mezelf continue met anderen en miste authenticiteit. Ik stoorde me tijdens sociale aangelegenheden zo mogelijk nog harder aan mijn vrienden hun smartphone-gedrag dan aan het mijne. Zelf ben ik niet het type dat kan matigen met dingen. Ik moet alles ‘vollembak’ doen, of helemaal niet. Extreem is my middle name.

Sinds begin deze maand ruilde ik voor onbepaalde tijd mijn smartphone in voor een exemplaar telefoon met twaalf toetsen. Drie keer drukken voor een letter, hard labeur. Ook nog 49 euro voor betaald. Kinderen van twaalf lachen me uit of vragen zich af waarom ik rondloop met een rekentoestel. Na slechts drie weken zonder touchscreen spiegeltje ben ik deels vergeten wie ik was en waarin ik me zoal opboeide. Heb geen ding meer vast dat me oplegt wie ik hoor te zijn, maar dat zelf invullen is griezeliger dan ik verwachtte.

Het leven zonder is zò rustig dat ik het niet helemaal vertrouw. Heb het gevoel dat ik de tijd en de mentale energie heb om mezelf opnieuw uit te vinden. Zonder dat iemand het ziet, welteverstaan. Omdat niemand het ziet, vooral.
Wat valt er te delen, en met wie?

De illusie constant verbonden te zijn valt weg. Er valt zoveel weg dat ik nu echt verbinding moet aangaan. Echte gesprekken voeren die echte tijd innemen, echt dingen doen bewegen.
Wat blijft er over nu ik kies voor een minder bereikbaar leven?

Nul notificaties en niemand die vandaag mijn gezicht heeft geliket. Ik zoog altijd mijn wangen naar binnen en beet er dan zachtjes op zodat mijn trekken fijner werden. Neus fijner, jukbeenderen geprononceerder. Ha. Vandaag knik ik ‘ca va’ naar de spiegel in de badkamer en schrik ik hoe makkelijk ik daar genoegen mee neem.

Nu ik niet meer hyperbereikbaar ben voel ik me door veel mensen vergeten. Weet niet hoe erg ik dat vind. Ik word dit jaar dertig en ik weet niet meer of mijn vrienden mijn vrienden zijn of toevallig mensen waar ik ooit iets mee gemeen had. Hoe random manifesteert vriendschap zich en hoeveel moeite doe je om die willekeur in stand te houden eens het allemaal niet meer zo naturel loopt?
We moeten nog eens afspreken hè. Ja, druk druk druk.

Mezelf al tijden voorgenomen meer tijd door te brengen met mensen waar ik effectief raakvlakken mee heb. Mee kan praten over wat me dwars zit en over wat mijn vuur aanwakkert. Alleen uiterst vervelend om allemaal fijne mensen te kennen die op eilandjes leven en geen ene jota met elkaar te maken hebben. Waardoor gekke avonden met een groep vrienden compleet uitgesloten worden. Ben ik de enige die van dinnerdate naar koffiedate naar lunchdate naar goed gesprek dobbert met individuen die ik graag heb en oh zo graag zou verenigen? Ugh.

Toen ik vijfentwintig werd schreef ik op mijn toen kersverse blog een tekstje als dikke middelvinger naar heel het systeem. Dat ik terug ging studeren, verdomme. Dat ik vrij wou zijn, terug thuis ging wonen, geen geld nodig had om gelukkig te zijn. Dat ik op zoek ging naar wat het was dat hier vanbinnen zo jeukte.

Netjes getimede quarterlife crisis, me dunkt. Eentje die broodnodig was. Ik weet intussen wat er zo jeukte en het jeukt nog steeds. Maar ik heb nagels gegroeid om te krabben.

Twijfel nog steeds of ik gewoon ga leren leven met de kwabbetjes op mijn rug terwijl ik vier keer per week ga sporten, of ik de slankste versie van mezelf ben tegen mijn dertigste. Twijfel nog steeds of ik een solo reis boek en tram drie daar vier (haha, telwoordmopjes) of een groot feest geef.

De hardste les in deze drie eerste decennia, was het besef van de inherente, onvermijdelijke eenzaamheid waar je als mens hoe dan ook mee geconfronteerd wordt. Niemand is jou, alleen jij bent jou. Hoeveel mensen je rond je verzamelt, hoeveel interactie je ook hebt – in de kern van ons bestaan huist een eenzaamheid waar ik hopelijk de volgende drie decennia nog aan kan wennen.

Niets is geheel waar en zelfs dat niet (Frederik Van Eeden)
en verandering is de enige constante (Heraclitus)
maar dat is dan weer niet geheel waar.